
Ten Harkel de blozende garagehouder. Bokhove, de kantoorboekhandelaar en drukker, met zijn lange gezicht, zijn onduidelijke mompelen, zijn opgeschoren kapsel. En Arie Schaafstra, de juwelier van tegenover ons, die in zijn zachte winkel met vitrines je horloge met zoveel zorg in zijn goed gemanicuurde handen bewoog. Of Gerrit Wissink, de flamboyante huisschildersbaas met zijn altijd zeer modern geklede vrouw tussen de rijen Flexa. Hun namen op de uit grinttegel opgetrokken urnenzuiltjes. Beelden van de Goorse middenstand van pakweg veertig jaar gelden herleven, zo maar op een begraafplaats. Ze weerspiegelen de kleine gemeenschap waarin ik opgroeide. Wat jammer dat hun bescheiden zestiger jaren neonreclames, de krullende letters van hun middenstandsnamen, niet op dit kerkhof op een wand zijn gemonteerd en mij toeschitteren: pastel groen, roze, fel rood. Ik hoor het tikken van de tientallen klokken in de zaak van Schaafstra, ruik de drukinkt van Bokhove, de terpentine bij Wissink, en voel het fluweel in de koffer van de vertegenwoordiger in kopjes en schotels die bij ons loom zijn waren aanprees. De namen. Hun geesten leven voort. Ik heb een dorp in mijn hoofd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten